Zo lees je voorLaat 'Ha… ha… ha…' elke keer iets langer duren en wacht dan even: het kind mag de HATSJOE roepen. Opa Lang praat laag en traag, de schaduw iets hoger.
Doe meeJij zegt “Ha… ha… ha…” heel lang en langzaam, en het kind roept “HATSJOE!” Zo hard als het durft.
De grote nies

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Dat gat is voor het hoofd van Opa Lang. Opa Lang is zo lang dat zijn hoofd altijd in een wolk zit. Je ziet alleen zijn snor eronder uitsteken.

Van een wolk in je hoofd word je verkouden. Daarom niest Opa Lang heel vaak. Meestal is het maar een klein niesje. Maar vandaag kwam er een grote aan.

Doe meeJij zegt “Ha… ha… ha…” heel lang en langzaam, en het kind roept “HATSJOE!” Zo hard als het durft.
“Ha… ha… ha… HATSJOE!”
Het was zo’n harde nies dat zijn schaduw losliet. De schaduw vloog van de grond, rolde drie keer om en bleef rechtop staan, vlak naast Opa Lang. Hij keek een beetje boos, zoals jij kijkt als je net wakker bent.

Opa Lang schrok. De schaduw schrok ook. Ze keken elkaar een hele tijd aan.
Toen zei Opa Lang: “Kom je binnen? Ik heb thee.”
Dat zegt Opa Lang altijd als iets eng is. Hij zegt het ook als de tv het niet doet.

De schaduw kwam binnen. Hij ging op een stoel zitten, dwars door de stoel heen, want hij was plat. Opa Lang deed of hij het niet zag. Dat is netjes.
“Hoe heet je?” vroeg Opa Lang.
De schaduw wist het niet. Een schaduw heeft nooit een naam.

“Dan noem ik je Plak,” zei Opa Lang. “Omdat je altijd aan me plakte.”
Plak vond het een mooie naam. De thee vond hij ook lekker. Die ging dwars door hem heen, maar dat gaf niet.

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.
Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.











































