Opa Lang, een heel lange man in een lange bruine jas, staat voor een klein huis met zijn hoofd tot in de wolken
3 tot 7 jaar

Opa Lang en Plak

Vijftien verhaaltjes voor het slapen, in de volgorde waarin ze gebeurden.

Begin bij avond 1

Zo lees je voor

Elk verhaaltje begint met dezelfde zinnen en eindigt met dezelfde zinnen. Na twee avonden zegt je kind ze mee.

Elk verhaaltje heeft een Doe mee: iets kleins dat je kind mag roepen of doen. Boven elk verhaal staat een tekening met een tikplekje: tik erop op het moment van Doe mee, dan hoor je het geluidje.

Onder elk verhaal staat Voor wie voorleest: waar het over gaat, in een zin. Die lees je niet voor.

De avonden

  1. Hoofdstuk 1Kennismaken
  2. 1De grote niesschrikken van iets nieuws3 tot 5 jaarLees dit verhaaltje
  3. 2Het lampjebang in het donker3 tot 5 jaarLees dit verhaaltje
  4. 3De hoedniet willen delen3 tot 5 jaarLees dit verhaaltje
  5. 4De briliets kwijt zijn4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
  6. 5Grootboos worden4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
  7. Hoofdstuk 2Samen
  8. 6Vijf minuutjeswachten is moeilijk4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
  9. 7De streepiets stuk gemaakt en het willen verstoppen5 tot 7 jaarLees dit verhaaltje
  10. 8Directeurjaloers zijn5 tot 7 jaarLees dit verhaaltje
  11. 9De wolk regentiemand anders is verdrietig5 tot 7 jaarLees dit verhaaltje
  12. 10Onder het bedniet willen slapen3 tot 7 jaarLees dit verhaaltje
  13. Hoofdstuk 3Durven
  14. 11De trapiets eng niet durven doen4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
  15. 12Ziekziek zijn, moe en stil4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
  16. 13Het schaduwkonijnafscheid nemen van een vriend5 tot 7 jaarLees dit verhaaltje
  17. 14De knoopverliezen bij een spelletje4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
  18. 15Alleeniets alleen durven doen4 tot 6 jaarLees dit verhaaltje
Avond 1

De grote nies

3 tot 5 jaar · schrikken van iets nieuws
Tekening bij avond 1, De grote nies

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Dat gat is voor het hoofd van Opa Lang. Opa Lang is zo lang dat zijn hoofd altijd in een wolk zit. Je ziet alleen zijn snor eronder uitsteken.

Van een wolk in je hoofd word je verkouden. Daarom niest Opa Lang heel vaak. Meestal is het maar een klein niesje. Maar vandaag kwam er een grote aan.

Doe meeJij zegt “Ha… ha… ha…” heel lang en langzaam, en het kind roept “HATSJOE!” Zo hard als het durft.

“Ha… ha… ha… HATSJOE!”

Het was zo’n harde nies dat zijn schaduw losliet. De schaduw vloog van de grond, rolde drie keer om en bleef rechtop staan, vlak naast Opa Lang. Hij keek een beetje boos, zoals jij kijkt als je net wakker bent.

Opa Lang schrok. De schaduw schrok ook. Ze keken elkaar een hele tijd aan.

Toen zei Opa Lang: “Kom je binnen? Ik heb thee.”

Dat zegt Opa Lang altijd als iets eng is. Hij zegt het ook als de tv het niet doet.

De schaduw kwam binnen. Hij ging op een stoel zitten, dwars door de stoel heen, want hij was plat. Opa Lang deed of hij het niet zag. Dat is netjes.

“Hoe heet je?” vroeg Opa Lang.

De schaduw wist het niet. Een schaduw heeft nooit een naam.

“Dan noem ik je Plak,” zei Opa Lang. “Omdat je altijd aan me plakte.”

Plak vond het een mooie naam. De thee vond hij ook lekker. Die ging dwars door hem heen, maar dat gaf niet.

Slotbeeld bij avond 1, De grote nies

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 2

Het lampje

3 tot 5 jaar · bang in het donker
Tekening bij avond 2, Het lampje

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Het werd avond. Opa Lang deed de lamp uit. En Plak was weg.

Hij was niet echt weg. Maar in het donker kun je een schaduw niet zien. Ook niet als je zelf die schaduw bent.

“Opa!” riep Plak. “Ik ben er niet meer!”

“Je bent er wel,” zei Opa Lang. “Ik hoor je.”

“Maar ik zie mezelf niet!”

“Ik zie mezelf ook nooit,” zei Opa Lang. “Mijn hoofd zit in een wolk.”

Dat hielp niet. Plak was bang. In het donker is alles eng, want je ziet niet waar het is.

Doe meeBij “Knip.” zegt het kind “knip!” en doet met een vinger het lampje aan. Plak zegt het daarna ook.

Opa Lang deed een klein lampje aan. Het stond naast het bed. Knip.

“Knip,” zei Plak er zachtjes achteraan.

En daar stond Plak, tegen de muur. Hij was lang en dun, met twee oogjes.

“Zie je?” zei Opa Lang. “Je was er de hele tijd. Je kon jezelf alleen niet zien.”

Plak keek naar de muur. Toen keek hij naar Opa Lang.

“Blijft het lampje aan?”

“Het lampje blijft aan,” zei Opa Lang. “Voor jou.”

Hij zei er niet bij dat hij het lampje zelf ook fijn vond. Dat hoefde Plak niet te weten.

Slotbeeld bij avond 2, Het lampje

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 3

De hoed

3 tot 5 jaar · niet willen delen
Tekening bij avond 3, De hoed

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Opa Lang heeft één hoed. Hij draagt hem bovenop zijn wolk. Je ziet hem bijna nooit, maar Plak weet dat hij er is.

Vandaag wilde Plak de hoed.

“Hij is van mij,” zei Opa Lang.

“Ik heb niks,” zei Plak. “Jij hebt een jas, en schoenen, en een snor. Ik heb alleen mezelf.”

Dat was waar. Een schaduw heeft nooit iets.

Opa Lang dacht na. Grote mensen zijn heel goed in delen, zegt hij altijd. Daarna eet hij de laatste koek.

“Om de beurt,” zei Opa Lang. “Eerst jij, tot het eten. Dan ik.”

Plak zette de hoed op. De hoed viel dwars door hem heen op de grond. Want Plak is plat.

Ze keken allebei naar de hoed.

“Dan hou ik hem vast,” zei Plak. Dat kon hij ook niet.

Doe meeAls iemand “Jouw beurt!” of “Mijn beurt!” zegt, roept het kind het hard mee.

“Dan leg ik hem naast je,” zei Opa Lang. “Dan is hij van jou tot het eten. Jouw beurt!”

En zo lag de hoed naast Plak op de grond, tot het eten. Plak keek er de hele tijd naar. Zo blij was hij nog nooit geweest.

Na het eten zei Opa Lang: “Mijn beurt!” Hij zette de hoed weer op zijn wolk. Toen zag je hem weer niet. Maar het was zijn beurt, dus dat was goed.

Morgen is Plak weer het eerst aan de beurt. Daar dacht hij de hele avond aan.

Slotbeeld bij avond 3, De hoed

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 4

De bril

4 tot 6 jaar · iets kwijt zijn
Tekening bij avond 4, De bril

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Opa Lang was zijn bril kwijt.

Hij zocht in de keuken. Hij zocht in de koelkast, want daar had hij hem vorige week ook gevonden. Hij zocht in zijn schoenen.

“Plak! Help zoeken!”

Plak zocht mee. Hij zocht onder de tafel. Dat kon hij goed, want hij paste eronder zonder te bukken.

Er was geen bril.

Opa Lang werd een beetje bang. Als je iets kwijt bent, gaat je hart snel en je hoofd langzaam. En je hoofd heb je juist nodig.

“Rustig,” zei Plak. “Ga even zitten.”

Opa Lang ging zitten. Hij zuchtte. De wolk om zijn hoofd zakte een klein stukje naar beneden.

Doe meeAls de wolk zakt, stop je even. Het kind roept waar de bril zit: “Op je hoofd!” Daarna zegt Plak het ook.

Plak keek. Toen wees hij.

“Opa,” zei Plak. “Hij zit op je hoofd.”

“Dat kan niet,” zei Opa Lang. “Daar heb ik al gekeken.”

Hij had er niet gekeken. Maar dat zeggen grote mensen als ze iets vinden op een plek waar ze niet gekeken hebben.

Hij pakte de bril van zijn hoofd en zette hem op. Nu zag hij Plak weer goed.

Plak lachte. Opa Lang lachte ook, een beetje later.

“Volgende keer,” zei Plak, “kijk ik eerst op je hoofd.”

“Daar heb ik al gekeken,” zei Opa Lang.

Slotbeeld bij avond 4, De bril

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 5

Groot

4 tot 6 jaar · boos worden
Tekening bij avond 5, Groot

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Opa Lang stond op Plak.

Hij deed het niet expres. Hij stapte gewoon achteruit, en Plak stond daar. Dat gebeurt bij schaduwen de hele dag. Maar vandaag was Plak het zat.

“AU,” zei Plak. En hij werd boos.

Als Plak boos wordt, wordt hij heel groot. Hij groeide tot aan het plafond en toen de muur op. Zijn oogjes werden smal.

“JE STAAT ALTIJD OP ME.”

“Sorry,” zei Opa Lang. “Ik zie je niet. Mijn hoofd zit in een wolk.”

“DAT ZEG JE ALTIJD.”

Dat was ook zo.

Opa Lang ging op de grond zitten. Dat duurt lang als je zo lang bent. Hij zei niks. Hij wachtte.

Hij telde zachtjes. Een, twee, drie, vier. Bij zeven viel hij bijna in slaap. Dat gebeurt hem vaker bij tellen.

Doe meeBij “Stamp. Stamp. Stamp.” stampt het kind drie keer mee. Daarna wordt het samen heel zachtjes stil.

Plak stampte. Stamp. Stamp. Stamp. Plak bromde. Plak was zo groot als de hele kamer.

En toen, heel langzaam, werd hij weer kleiner. Het plafond kwam terug. De muur kwam terug. Plak stond weer gewoon naast Opa Lang, net zo lang als altijd.

“Ben je nog boos?” vroeg Opa Lang.

“Een beetje,” zei Plak. “Maar het is klein nu.”

“Mooi,” zei Opa Lang. “Dan past het weer in de kamer.”

Slotbeeld bij avond 5, Groot

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 6

Vijf minuutjes

4 tot 6 jaar · wachten is moeilijk
Tekening bij avond 6, Vijf minuutjes

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Opa Lang doet elke middag een dutje. “Vijf minuutjes,” zegt hij. Het dutje duurt tot het eten.

Plak vond dat lang. Een schaduw kan niet slapen. Hij kan alleen wachten.

“Opa?”

Opa Lang snurkte. Als hij snurkt, wiebelt zijn wolk.

“Opa, ben je al klaar?”

Er kwam geen antwoord.

Plak ging bij het raam staan. Hij ging bij de deur staan. Hij ging naar de klok kijken, maar hij kon de klok niet lezen.

Wachten is het langste dat er is. Het is nog langer dan Opa Lang.

Toen zag Plak de zon. De zon kwam door het raam en maakte een lichte plek op de vloer. En die plek schoof. Heel langzaam, zo langzaam dat je het bijna niet zag.

Plak ging in de lichte plek staan. Toen de plek schoof, schoof Plak mee, stukje voor stukje, van de deur naar de tafel. Het was een spel dat je alleen kunt spelen als je heel langzaam bent.

Doe meeAls Plak telt, tellen jullie heel langzaam mee tot vijf. Bij vijf wordt Opa Lang wakker.

Plak telde de stukjes. Een. Twee. Drie. Vier. Vijf.

En toen ging de wolk omhoog. Opa Lang rekte zich uit.

“Zo,” zei hij. “Dat waren vijf minuutjes.”

“Het was langer,” zei Plak.

“Was het lang?”

Plak dacht na. “Eerst wel. Toen niet meer.”

Slotbeeld bij avond 6, Vijf minuutjes

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 7

De streep

5 tot 7 jaar · iets stuk gemaakt en het willen verstoppen
Tekening bij avond 7, De streep

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Plak had een streep op de muur gemaakt.

Hij wist niet dat hij dat kon. Hij stond tegen de muur, bewoog zijn arm, en toen zat er een grote donkere streep dwars over het behang met de bloemetjes.

Plak schrok. Hij ging ervoor staan, zodat Opa Lang het niet zag.

“Wat sta je daar?” vroeg Opa Lang.

“Niks,” zei Plak.

Niks is wat je zegt als het iets is. Dat weet elke opa.

Opa Lang zei niets. Hij ging thee zetten. Plak bleef voor de streep staan. Zijn benen deden pijn, en die heeft hij niet eens.

Toen kon hij het niet meer.

“Opa. Ik heb een streep gemaakt. Op de muur. Ik wilde het niet.”

Hij stapte opzij.

Opa Lang keek lang. Hij houdt van zijn behang.

“Dat is een grote streep,” zei hij.

“Sorry,” zei Plak. Het kwam er heel klein uit.

“Sorry is goed,” zei Opa Lang. “En nu?”

“Nu?”

“Wat doe je nu?”

Doe meeHet kind zegt “sorry” met Plak mee, heel klein. Daarna vraag jij: “En nu?”

Plak dacht na. Poetsen en verven kon hij niet. Maar hij kon wel iets anders. Hij ging weer tegen de muur staan. Hij maakte nog een streep, en nog een, en toen een rondje.

Nu stond er een bloem op de muur, een grote donkere bloem tussen de kleine bloemetjes.

“Die is mooier dan de rest,” zei hij.

Het behang vond hij al jaren lelijk. Maar dat zei hij niet, want Plak had net sorry gezegd.

Slotbeeld bij avond 7, De streep

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 8

Directeur

5 tot 7 jaar · jaloers zijn
Tekening bij avond 8, Directeur

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Buurvrouw Bep kwam op bezoek met haar kat. De kat heet Directeur, want hij is de baas van alles. Hij doet nooit wat je zegt.

Doe meeBij “Directeur spon.” spint het kind als Directeur: “prrrrr”, zo lang als het kan.

Directeur ging op de schoot van Opa Lang liggen. Nou ja, op zijn knieën, want de schoot van Opa Lang is te hoog voor een kat. Opa Lang aaide hem. Directeur spon. Opa Lang lachte, ergens in zijn wolk.

Plak keek.

Opa Lang had Plak nog nooit geaaid. Dat kan ook niet, je hand gaat er dwars doorheen. Maar daar werd het niet beter van.

Plak ging in de hoek staan. Een schaduw in een hoek is bijna weg. Dat was de bedoeling.

Niemand zag het. Buurvrouw Bep praatte. Directeur spon. Opa Lang aaide.

Toen ging buurvrouw Bep naar huis, en ze nam Directeur mee.

“Waar was jij?” vroeg Opa Lang.

“In de hoek,” zei Plak. “Jij had de kat.”

Opa Lang dacht na. Toen ging hij op de grond liggen. Dat duurt even, met zulke lange benen. Hij legde zijn arm op de arm van Plak, zo dat het één arm leek.

“Ik heb geen kat,” zei hij. “Ik heb jou. De kat is van Bep.”

“Maar je lachte.”

“Ik lach ook om jou,” zei Opa Lang. “Alleen zachter. Anders hoort Bep het.”

Slotbeeld bij avond 8, Directeur

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 9

De wolk regent

5 tot 7 jaar · iemand anders is verdrietig
Tekening bij avond 9, De wolk regent

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Vanochtend regende het in huis.

Doe meeZolang de wolk regent, tikt het kind zachtjes met zijn vingers op de deken, als regen. Het stopt als de wolk weer wit wordt.

Het regende alleen bij Opa Lang. Het kwam uit zijn wolk. Kleine druppels vielen op zijn jas, op de tafel en in zijn thee.

“Opa,” zei Plak. “Huil je?”

“Het is de wolk,” zei Opa Lang.

Dat zeggen grote mensen. Het is de wolk. Het is de ui. Ik heb iets in mijn oog.

Plak wist niet wat hij moest doen. Hij haalde een handdoek. Die viel dwars door hem heen op de grond. Hij maakte een grapje. Opa Lang lachte niet.

Hij ging voor Opa Lang staan, zoals bij de streep, zodat je de druppels niet zag. Dat hielp ook niet, want ze vielen gewoon door hem heen.

Toen deed Plak niks meer. Hij ging naast Opa Lang zitten. Plat op de stoel, dwars erdoor, dat kan hij. Hij zei niets. Opa Lang zei ook niets. De wolk regende.

Ze zaten daar een tijd. Zo lang als een dutje duurt.

En toen werd de regen minder. En toen hield hij op. De wolk werd weer wit.

“Waarom regende het?” vroeg Plak.

“Soms regent het,” zei Opa Lang. “Ik dacht aan vroeger.”

“Moet ik iets doen?”

“Je hebt al iets gedaan,” zei Opa Lang. “Je zat ernaast.”

Slotbeeld bij avond 9, De wolk regent

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 10

Onder het bed

3 tot 7 jaar · niet willen slapen
Tekening bij avond 10, Onder het bed

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Het was avond. Opa Lang ging naar bed. Zijn bed is een gewoon bed, met een gat in de muur voor zijn voeten.

“Ik wil niet slapen,” zei Plak.

“Jij slaapt nooit,” zei Opa Lang. “Jij bent een schaduw.”

“Maar als jij slaapt, ben ik alleen. En het is donker. En dan ben ik weg.”

“Je bent niet weg. Het lampje is aan.”

“Toch,” zei Plak.

Opa Lang deed zijn ogen dicht. Toen deed hij ze weer open. Hij dacht na. Dat lukt hem ’s avonds niet meer zo goed.

“Weet je wat een schaduw doet als iemand gaat slapen?”

“Nee,” zei Plak.

“Hij gaat liggen,” zei Opa Lang. “Onder het bed, vlak onder mij. Dat deed jij vroeger ook, elke nacht.”

“Dat weet ik niet meer,” zei Plak.

“Omdat je sliep,” zei Opa Lang.

“Schaduwen slapen niet,” zei Plak.

“Jij wel,” zei Opa Lang. “Elke nacht. Daarom weet je het niet meer.”

Plak dacht na. Hij keek onder het bed. Het was daar donker en een beetje warm.

“En morgen?” vroeg Plak.

“Morgen nies ik,” zei Opa Lang, “en dan sta je weer naast me.”

“Beloofd?”

“Ik ben verkouden,” zei Opa Lang. “Dat is geen belofte. Dat is zeker.”

Doe meeAls Plak onder het bed gaat liggen, fluistert het kind “welterusten, Plak” en doet zijn ogen dicht.

Plak ging plat onder het bed liggen, precies onder Opa Lang, zoals vroeger. Het lampje bleef aan, voor Plak. En voor Opa Lang, maar dat zeggen we niet tegen buurvrouw Bep. Morgen niest hij weer.

Slotbeeld bij avond 10, Onder het bed

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 11

De trap

4 tot 6 jaar · iets eng niet durven doen
Tekening bij avond 11, De trap

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Onder de keuken zit een kelder. Daar liggen de jampotten, netjes op een rij. Opa Lang wil er een pakken voor bij het brood. Hij doet de deur open. Een trap gaat naar beneden, de treden zijn smal en onderaan is het donker.

“Kom je mee?” vraagt Opa Lang.

Plak blijft boven aan de trap staan. Zijn oogjes worden klein.

“Daar is geen lampje,” zegt Plak. “Net als bij het lampje, alleen is er hier geen lampje.”

Opa Lang knikt. Hij gaat zelf naar beneden, tree voor tree. Bovenaan, voor hij begint, blijft hij zelf ook even stilstaan. Dat vertelt hij niet aan Plak. Beneden pakt hij een jampot en komt weer omhoog.

Doe meeTik mee op elke tree, net zoals Plak: eerst de eerste tree, dan de tweede, tree voor tree naar beneden.

Plak kijkt naar de trap. Dan zet hij één voet op de eerste tree. Daarna de andere voet op de tweede tree. Hij telt de treden hardop, één voor één, tot hij beneden is. Het is donker, maar hij is er nog steeds.

Boven wacht Opa Lang met het brood en de jampot al klaar.

“Zo,” zegt Opa Lang. “Dat was de trap.”

Ze eten het brood op, met jam, aan de keukentafel. Buiten wordt het donker, en niemand kijkt nog naar de kelderdeur.

Slotbeeld bij avond 11, De trap

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 12

Ziek

4 tot 6 jaar · ziek zijn, moe en stil
Tekening bij avond 12, Ziek

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Op een ochtend ligt Plak niet rechtop naast Opa Lang. Hij ligt plat op de vloer, en zijn randen zijn wazig, alsof iemand er met een vinger overheen heeft geveegd.

“Ben je ziek?” vraagt Opa Lang.

Plak knikt, heel klein.

“Een schaduw kan niet ziek zijn,” zegt Plak zelf. “Dat weet iedereen.” Maar hij blijft plat liggen.

Doe meeLeg je hand plat neer naast het boek, precies zoals Opa Lang de kruik naast Plak zet.

Opa Lang haalt de kruik en zet hem naast Plak neer, niet erop, want de warmte hoeft niet door hem heen, ernaast is al genoeg. Dan gaat hij zelf ook liggen, op de vloer, naast Plak. Normaal doet hij zijn dutje in bed. Vandaag doet hij het op de vloer.

Er wordt aangebeld. Buurvrouw Bep staat voor de deur met een pan soep. “Voor de zieke,” zegt ze, en ze kijkt naar Opa Lang.

“Niet ik,” zegt Opa Lang. “Plak.”

Buurvrouw Bep knikt, alsof een zieke schaduw heel gewoon is, en zet de pan op tafel.

De hele middag blijft Plak plat liggen, met de kruik naast zich en Opa Lang naast zich. Ze zeggen niet veel. Tegen de avond worden Plaks randen weer scherp. Hij gaat overeind zitten, een beetje wiebelig, en dan gewoon recht.

“Zo,” zegt Opa Lang. “Beter.”

Ze eten de soep op, aan de keukentafel, allebei een beetje stil.

Slotbeeld bij avond 12, Ziek

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 13

Het schaduwkonijn

5 tot 7 jaar · afscheid nemen van een vriend
Tekening bij avond 13, Het schaduwkonijn

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Elke avond, als het buiten donker wordt, gaat Plak bij het raam van de slaapkamer staan. Aan de overkant van de straat gaat een lampje aan, in een ander huis, in een andere kamer.

Daar houdt een jongetje zijn handen voor het licht, en op zijn gordijn verschijnt een schaduw met twee lange oren. Plak houdt zijn eigen arm omhoog en maakt hetzelfde konijn, op zijn eigen muur.

Ze zwaaien niet naar elkaar. Ze kennen elkaars naam niet. Maar elke avond is het konijn er, aan beide kanten van de straat.

Op een dag staan er dozen voor het huis aan de overkant. Veel dozen, met plakband erover.

“Ze gaan verhuizen,” zegt Opa Lang. “Dat betekent dat ze ergens anders gaan wonen. Dat zeggen grote mensen.”

De avond erna wordt het donker, en het lampje aan de overkant gaat niet aan. Het raam blijft zwart.

Plak blijft er lang naar kijken. Dan tekent hij, met zijn vinger, een streep op de muur naast het raam. Net als die keer met de bloem. Deze keer maakt hij er twee lange oren van.

Doe meeMaak zelf een schaduwkonijn met je hand, op het moment dat Plak zijn arm omhoog houdt bij het raam.

De avond daarna gaat Plak weer bij het raam staan. Hij houdt zijn arm omhoog, maakt het konijn, alleen. Het licht van de kamer valt op de muur.

Slotbeeld bij avond 13, Het schaduwkonijn

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 14

De knoop

4 tot 6 jaar · verliezen bij een spelletje
Tekening bij avond 14, De knoop

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Na het eten spelen Opa Lang en Plak een spelletje: ik zie, ik zie. Om de beurt, net als met de hoed, kiest de een iets in de kamer en geeft de ander een kleur.

“Ik zie, ik zie, met de kleur wit,” zegt Opa Lang.

Plak raadt de wolk. Dat is het niet. Hij raadt de bril. Dat is het ook niet. Het blijkt de theepot te zijn, en daar had Plak niet aan gedacht.

De beurt gaat rond. Opa Lang raadt de hoed, de klok en de deur, en heeft ze alle drie goed. Plak raadt de wolk, de tafel en het behang, en heeft ze alle drie fout.

Bij de vijfde ronde ligt Plak plat op de vloer, met zijn oogjes dicht.

“Ik zie ik zie is een makkelijk spel,” zegt Plak, “tot je alles al gezien hebt. Dan wordt het moeilijk.”

Opa Lang kijkt naar zijn eigen jas. Er zit een knoop los, die bungelt aan een draadje, vlak bij waar Plak ligt.

“Ik zie, ik zie,” zegt Opa Lang, “met de kleur donkergrijs, en hij zit heel dichtbij.”

Plak doet zijn oogjes open en ziet de knoop meteen.

Doe meeTik op de knoop zodra Opa Lang hem noemt.

“De knoop!” roept hij.

“Goed geraden,” zegt Opa Lang, maar hij zegt niet hoe makkelijk hij het had gemaakt.

Plak gaat weer rechtop zitten. “Nog een keer?”

“Nog een keer,” zegt Opa Lang.

Slotbeeld bij avond 14, De knoop

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.

Avond 15

Alleen

4 tot 6 jaar · iets alleen durven doen
Tekening bij avond 15, Alleen

Aan het eind van de straat staat een huis met een gat in het dak. Daar woont Opa Lang, met zijn hoofd in een wolk. En sinds de grote nies woont Plak er ook. Plak is zijn schaduw. Dat weet je al.

Elke middag doet Opa Lang zijn dutje van vijf minuutjes, dat altijd duurt tot het eten. Plak ligt dan meestal naast het bed te wachten.

Vandaag niet. Vandaag denkt Plak: ik haal de koektrommel, helemaal alleen, voor als Opa Lang wakker wordt.

De koektrommel staat in de keuken, en de keuken is drie plekken verderop: langs de kast, langs de klok, en dan door de gang, waar geen lampje is. Net als bij het lampje toen, alleen is Opa Lang er nu niet bij.

Doe meeTik mee bij elke plek die Plak passeert: de kast, de klok en de gang.

Plak schuift langs de kast. De kastdeur piept. Een kastdeur piept, dat is geen geheim, dat is gewoon een kastdeur, denkt Plak, en hij schuift door.

Hij schuift langs de klok. De klok tikt, hard in de stille gang.

Dan de gang zelf, donker, zonder lampje. Plak wordt heel even klein. Maar hij schuift door, tot hij de keuken in glijdt en het licht van het raam ziet.

De trommel staat op het aanrecht. Plak duwt ertegenaan, langzaam, tot hij van de rand kiept en op de vloer landt, nog dicht. Plak duwt hem voor zich uit, de gang weer door, langs de klok, langs de kast, tot hij bij de tafel is.

Hij gaat ervoor staan, extra recht, langer dan anders.

“Zo. Dat waren vijf minuutjes,” zegt Opa Lang.

Hij ziet de trommel op tafel staan. Hij klopt eerst twee keer op het deksel, zoals altijd. Dan kijkt hij naar Plak.

Slotbeeld bij avond 15, Alleen

Toen werd het stil in het huis met het gat in het dak.

Welterusten, Opa Lang. Welterusten, Plak. En welterusten, jij.